Eiser, een minderjarige met de Marokkaanse nationaliteit, kreeg op 20 maart 2023 een terugkeerbesluit en een maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser stelde dat het terugkeerbesluit vernietigd moest worden omdat geen motivering was gegeven die rekening hield met zijn minderjarigheid.
De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris op grond van de Terugkeerrichtlijn verplicht is een terugkeerbesluit uit te vaardigen en dat er geen ruimte is voor een belangenafweging omtrent de minderjarigheid bij het opleggen van het terugkeerbesluit. De vertrektermijn van nul dagen was gemotiveerd vanwege het risico op ontduiking van toezicht, wat eiser niet betwistte.
Ten aanzien van de maatregel van bewaring oordeelde de rechtbank dat verweerder weliswaar uitgaat van de minderjarigheid van eiser en specifiek beleid hanteert voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen, maar dat de maatregel van bewaring zelf geen motivering bevatte waaruit blijkt dat de minderjarigheid van eiser is betrokken bij de belangenafweging. Dit motiveringsgebrek leidde tot gegrondverklaring van het beroep tegen de maatregel van bewaring en onmiddellijke opheffing daarvan.
De rechtbank stelde vast dat de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig was en kende eiser een schadevergoeding toe voor elf dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.