ECLI:NL:RVS:2019:1590

Raad van State

Datum uitspraak
14 mei 2019
Publicatiedatum
15 mei 2019
Zaaknummer
201903015/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
  • H. Troostwijk
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bewaring minderjarige vreemdeling en toekenning schadevergoeding

De vreemdeling werd op 25 maart 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze bewaring op 12 april 2019 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte voorbijging aan het beleid uit de Vreemdelingencirculaire 2000, paragraaf A5/2.4, waarin wordt bepaald dat bij minderjarige vreemdelingen een zorgvuldige belangenafweging moet plaatsvinden. De rechtbank had onvoldoende onderkend dat de staatssecretaris dit beleid niet expliciet had betrokken bij zijn beslissing.

Daarom vernietigt de Raad van State het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling gegrond en heft de bewaring met ingang van de uitspraak op. Tevens kent de Raad van State een schadevergoeding toe van €4.025 voor de periode van 25 maart tot en met 13 mei 2019 en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van €1.536.

Uitkomst: De bewaring van de minderjarige vreemdeling wordt opgeheven en er wordt een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

201903015/1/V3.
Datum uitspraak: 14 mei 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 12 april 2019 in zaak nr. NL19.7212 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 25 maart 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 12 april 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Ben Ahmed, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De vreemdeling klaagt in zijn enige grief, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte voorbijgaat aan het beleid zoals neergelegd in paragraaf A5/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), door de staatssecretaris te volgen in zijn standpunt dat het niet onevenredig bezwarend is om hem als minderjarige vreemdeling in bewaring te stellen.
2.    De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de maatregel van bewaring niet onevenredig bezwarend is omdat de vreemdeling al in Zweden en Duitsland is geweest en aan hem in Duitsland een inreisverbod is uitgevaardigd, hij is staandegehouden toen hij illegaal naar het Verenigd Koninkrijk probeerde uit te reizen en hij heeft verklaard niet te willen terugkeren naar Albanië. De rechtbank heeft immers niet onderkend dat uit de maatregel van bewaring niet blijkt dat de staatssecretaris, hoewel hij erkent dat het om een minderjarige vreemdeling gaat, het beleid zoals neergelegd in paragraaf A5/2.4 van de Vc 2000 kenbaar bij de belangenafweging heeft betrokken.
De grief slaagt.
3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 25 maart 2019 alsnog gegrond verklaren. De maatregel van bewaring wordt opgeheven met ingang van vandaag. Ook heeft de vreemdeling recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 12 april 2019 in zaak nr. NL19.7212;
III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV.    bepaalt dat de maatregel van bewaring met ingang van vandaag wordt opgeheven;
V.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 4.025,00 (zegge: vierduizend vijfentwintig euro) over de periode 25 maart 2019 tot en met 13 mei 2019, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
VI.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Van Leeuwen
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2019
466-906.