ECLI:NL:RBDHA:2023:5460
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op behandeling asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland onder Dublinverordening
Eiseres, een Eritrese asielzoekster die in 2018 haar land verliet en in 2019 een asielaanvraag in Duitsland indiende, verzocht Nederland haar asielaanvraag in behandeling te nemen nadat Duitsland haar aanvraag had afgewezen. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid weigerde dit omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag. Eiseres voerde aan dat het besluit prematuur was en dat haar medische situatie en het risico op indirect refoulement een overdracht aan Duitsland onaanvaardbaar maakten.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht de aanvraag niet in behandeling heeft genomen, aangezien Duitsland de verantwoordelijkheid heeft aanvaard. Het medisch advies van het Bureau Medische Advisering gaf aan dat overdracht mogelijk is mits begeleiding en medicatiecontinuering, wat door de Nederlandse autoriteiten is gegarandeerd. De rechtbank vond geen reden om artikel 17 van Pro de Dublinverordening toe te passen.
Verder kon eiseres niet aannemelijk maken dat het beschermingsbeleid in Duitsland fundamenteel slechter is dan in Nederland of dat zij geen adequaat rechtsmiddel heeft tegen een afwijzing in Duitsland. Ook de aangevoerde onrechtmatigheid van een bewaringsmaatregel leidde niet tot een andere uitkomst. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en er geen sprake is van onevenredige hardheid of indirect refoulement.