ECLI:NL:RBDHA:2023:5638

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 april 2023
Publicatiedatum
20 april 2023
Zaaknummer
AWB - 23 _ 418
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9:3 AwbArt. 9:8 AwbHoofdstuk 9 AwbAVGWet open overheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig nemen van besluiten door Autoriteit Persoonsgegevens afgewezen

Eiser heeft bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) klachten ingediend over vermeende schendingen van de AVG door de Belastingdienst en AP zelf, en een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser stelde dat AP niet tijdig op deze klachten en het Woo-verzoek had beslist en stelde AP in gebreke.

De rechtbank oordeelde dat AP terecht verwees naar een lopende beroepsprocedure bij de rechtbank over de klacht tegen de Belastingdienst, waardoor geen sprake was van niet tijdig beslissen. Ook de klacht tegen AP zelf werd volgens de rechtbank terecht niet in behandeling genomen omdat tegen het berispingsbesluit beroep openstaat en geen bezwaar tegen niet tijdig beslissen mogelijk is.

Ten aanzien van het Woo-verzoek concludeerde de rechtbank dat AP het verzoek terecht als een verzoek om overlegging van processtukken heeft opgevat, en niet als een Woo-verzoek. AP was daardoor niet verplicht een Woo-besluit te nemen.

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten werd daarom ongegrond verklaard en het besluit van 30 maart 2023, waarbij AP de afwijzing van de dwangsommen handhaafde, bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten door de Autoriteit Persoonsgegevens is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/418

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2023 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], Frankrijk, eiser

en

de Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder

hierna: AP
(gemachtigde: mr. J.M.A. Koster).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten door AP op zijn twee klachten en op zijn aanvraag op grond van de Wet open overheid (Woo).
AP heeft een verweerschrift ingediend.
Met het besluit van 27 december 2022 heeft AP de verzoeken van eiser om toekenning van verbeurde dwangsommen wegens het niet tijdig nemen van besluiten op zijn klachten en aanvraag afgewezen.
Met het besluit van 30 maart 2023 heeft AP de bezwaren tegen het besluit van 27 december 2022 ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2023.
Eiser is niet verschenen. AP heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. [naam].

Overwegingen

Klacht van 18 oktober 2022
1.1.
Eiser heeft op 18 oktober 2022 bij AP een klacht ingediend over schending van de AVG door de Belastingdienst. De schending van de AVG bestaat er volgens eiser uit dat de Belastingdienst aan AP heeft meegedeeld dat er meer procedures aanhangig zijn tussen eiser en de Belastingdienst. Eiser stelt dat daarmee zijn privacy is geschonden.
1.2.
AP heeft in reactie daarop aan eiser meegedeeld dat de Belastingdienst deze uitlating heeft gedaan in het kader van de bij de rechtbank aanhangige beroepsprocedure met kenmerk SGR 22/5012 en dat eiser de correspondentie daarover moet richten aan de rechtbank in die procedure.
1.3.
Op 23 november 2022 heeft eiser AP in gebreke gesteld omdat AP niet tijdig op zijn klacht heeft beslist.
1.4.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit door AP. AP heeft eiser immers terecht verwezen naar de bij deze rechtbank lopende beroepsprocedure SGR 22/5012, waarin de rechtbank over de rechtmatigheid van deze handeling ter voorbereiding van het in die procedure bestreden besluit een oordeel dient te geven. In die zaak is dat is bij uitspraak van heden gedaan.
1.5.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit verklaart de rechtbank daarom ongegrond. Het besluit van 30 maart 2023 waarbij AP de afwijzing van eisers verzoek om een dwangsom toe te kennen heeft gehandhaafd, blijft in stand.
De klacht van 23 oktober 2022
2.1.
Eiser heeft op 23 oktober 2022 bij AP een klacht ingediend over schending van de AVG door de AP zelf. De schending van de AVG bestaat er volgens eiser uit dat AP in het besluit tot berisping van de Belastingdienst eisers achternaam en voorletters heeft genoemd en heeft vermeld dat eiser nog verschillende procedures heeft lopen bij de Belastingdienst. Eiser stelt dat daarmee zijn privacy is geschonden.
2.2.
AP heeft in reactie daarop bij brief van 13 november 2022 aan eiser geantwoord dat de klacht wordt aangemerkt als een klacht tegen AP op grond van Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat deze klacht niet in behandeling wordt genomen, omdat tegen het besluit tot berisping van de Belastingdienst beroep openstond [1] .
2.3.
Op 23 november 2022 heeft eiser AP in gebreke gesteld omdat AP niet tijdig op zijn klacht heeft beslist.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit door AP. AP heeft de klacht terecht op geval als een klacht op grond van Hoofdstuk 9 van de Awb omdat de klacht is gericht tegen AP zelf. Tegen een beslissing op deze klacht staat op grond van artikel 9:3 van Pro de Awb geen bezwaar en beroep open. Evenmin staat tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een klacht beroep open. [2]
2.5.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit verklaart de rechtbank daarom ongegrond. Het besluit van 30 maart 2023 waarbij AP de afwijzing van eisers verzoek om een dwangsom toe te kennen heeft gehandhaafd blijft in stand.
Het verzoek op grond van de Wet open overheid
3.1.
Op 7 november 2022 heeft eiser verzocht op grond van de Woo om openbaarmaking van de documenten betreffende alle contacten met Ministerie van Financiën, Belastingdienst en rechtbank in de procedures 21/2082, 22/3372 en 22/5012 over de periode van 17 juni 2020 tot en met 7 november 2022.
3.2.
AP heeft in reactie daarop bij brief van 15 november 2022 aan eiser geantwoord dat zijn verzoek wordt aangemerkt als een verzoek om kennisneming van informatie in het kader van bezwaar- of beroepsprocedures en niet als een Woo-verzoek.
3.3.
Op 23 november 2022 heeft eiser AP in gebreke gesteld omdat AP niet tijdig op zijn Woo-verzoek heeft beslist.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit door AP. AP heeft het verzoek van eiser terecht opgevat als een verzoek om overlegging van op een geding betrekking hebbende stukken. AP mocht redelijkerwijs veronderstellen dat het eiser niet te doen was om het openbaar maken van de processtukken van zijn procedures aan een ieder. Eiser heeft niet kenbaar gemaakt aan AP dat hij wel wenste dat de processtukken van zijn procedures voor een ieder openbaar gemaakt zouden worden.
3.5.
Verweerder was dan ook niet gehouden om een Woo-besluit op eisers verzoek te nemen. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit verklaart de rechtbank daarom ongegrond. Het besluit van 30 maart 2023 waarbij AP de afwijzing van eisers verzoek om een dwangsom toe te kennen heeft gehandhaafd blijft in stand.
Conclusie
4. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten door AP is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie artikel 9:8, eerste lid, onder d, van de Awb
2.Zie de uitspaak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2111