ECLI:NL:RBDHA:2023:566
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht aan Oostenrijk op grond van Dublinverordening
Eisers, Syrische asielzoekers met minderjarige kinderen, betwisten de besluiten van de staatssecretaris die op grond van de Dublinverordening Nederland verantwoordelijk acht voor de overdracht van hun asielaanvragen aan Oostenrijk.
Zij beroepen zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, verwijzen naar het AIDA-rapport over pushbacks in Oostenrijk en stellen dat de medische situatie en belangen van hun kinderen onvoldoende zijn meegewogen. Ook voeren zij aan dat de besluiten te vroeg zijn genomen, gezien de periode na de bevalling.
De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij in Oostenrijk een reëel risico lopen op onmenselijke behandeling. De gestelde afhankelijkheidsrelatie op grond van artikel 16 Dublinverordening Pro is niet onderbouwd en de belangen van de kinderen zijn volgens de rechtbank adequaat betrokken.
De rechtbank vindt de besluiten niet te voorbarig en bevestigt dat de staatssecretaris terecht geen gebruik heeft gemaakt van de hardheidsclausule van artikel 17. De beroepen worden ongegrond verklaard en er volgt geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen tegen de overdracht aan Oostenrijk worden ongegrond verklaard.