Verordening (EU) Nr. 604/2013artikel 8 EVRMartikel 17 Dublinverordening
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek op grond van de Dublinverordening (EU) Nr. 604/2013.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op 13 april 2023, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen. De rechtbank heeft geoordeeld dat Italië inderdaad verantwoordelijk is en dat er geen beletselen zijn om eiser aan Italië over te dragen. De tijdelijke opschorting van feitelijke overdrachten aan Italië sinds december 2022 vormt geen reden om het besluit onrechtmatig te achten.
Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een familieband heeft met in Nederland woonachtige schoonfamilie, waardoor toetsing aan artikel 8 EVRMPro niet aan de orde was. Ook faalt het verweer dat niet juist is getoetst aan artikel 17 DublinverordeningPro. De aanvraag is terecht niet in behandeling genomen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.4239
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R. Bom),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Het is niet in geschil dat Italië op grond van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Verweerder heeft verder afdoende gemotiveerd dat er geen beletselen bestaan om eiser aan Italië over te dragen.
2. De omstandigheid dat alle feitelijke overdrachten aan Italië op verzoek van de Italiaanse autoriteiten zijn opgeschort sinds de circular lettervan 5 december 2022 heeft geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit. Dit is naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog aan te merken als een tijdelijke feitelijke belemmering. Verweerder was dan ook niet gehouden om hierop in te gaan in de motivering van het bestreden besluit.
3. Daarnaast is in het bestreden besluit terecht overwogen dat eiser de door hem gestelde familieband met in Nederland woonachtige schoonfamilie niet aannemelijk heeft gemaakt. Er bestond daarom geen aanleiding voor een verdere toetsing aan artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4. Anders dan eiser impliceert in de gronden van beroep, heeft hij uit het voornemen niet kunnen afleiden dat het overleggen van een instemmingsverklaring voor verweerder voldoende zou zijn geweest om de verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek aan zich te trekken. Verweerder heeft in het voornemen immers naast zijn vaststelling dat een instemmingsverklaring ontbrak ook uitdrukkelijk overwogen dat eiser de gestelde familieband niet nader heeft onderbouwd.
5. De beroepsgrond dat niet op een juiste wijze is getoetst aan artikel 17 vanPro de Dublinverordening faalt dan ook. De aanvraag is terecht niet in behandeling genomen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2023 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.