ECLI:NL:RBDHA:2023:6449
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning studie wegens onvoldoende studievoortgang niet onrechtmatig
Eiser, een Chinese student aan de Rijksuniversiteit Groningen, kreeg zijn verblijfsvergunning voor studie ingetrokken per 1 september 2021 vanwege onvoldoende studievoortgang en een negatieve BSA-advies van de universiteit. Eiser betoogde dat er bijzondere omstandigheden waren die het uitstel van het BSA rechtvaardigden en dat verweerder onvoldoende een eigen belangenafweging had gemaakt.
De rechtbank overweegt dat de verantwoordelijkheid voor de beoordeling van studievoortgang bij de onderwijsinstelling ligt, die als erkend referent optreedt. De afmelding door de universiteit betekent dat er geen erkend referent meer is en daarmee is niet langer voldaan aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning. De herinschrijving en het uitstel van het BSA wijzigen hier niets aan.
Verder oordeelt de rechtbank dat de intrekking niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door het ontbreken van een belangenafweging in bezwaar is benadeeld. Het ontbreken van een hoorzitting in bezwaar wordt geaccepteerd omdat er geen nieuwe feiten zijn aangevoerd die tot een ander besluit zouden leiden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, bepaalt dat verweerder het griffierecht aan eiser vergoedt en veroordeelt verweerder in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning voor studie wordt ongegrond verklaard.