ECLI:NL:RVS:2018:3580
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen intrekking verblijfsvergunning wegens onvoldoende studievoortgang
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van een vreemdeling, afkomstig uit Suriname, in vanwege onvoldoende studievoortgang bij de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). De vreemdeling was erkend als student onder de beperking 'studie'. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de vraag of de rechtbank terecht had geoordeeld dat de staatssecretaris niet had meegewogen dat de vreemdeling pas in februari 2016 met haar studie was begonnen, terwijl het studiejaar normaal in september start. De Raad van State oordeelde dat het aan de referent (de onderwijsinstelling) is om bijzondere omstandigheden te beoordelen die aanleiding geven af te wijken van de norm voor studievoortgang.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, mede omdat de vreemdeling zich in december 2016 had aangemeld voor een andere studie en zich per 1 februari 2017 had uitgeschreven bij de HAN. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.