ECLI:NL:RBDHA:2023:7058

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2023
Publicatiedatum
17 mei 2023
Zaaknummer
AWB 23/176
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 29, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen en toewijzing verzoek proceskostenvergoeding

Verzoekster heeft op 6 januari 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf. Vervolgens heeft de staatssecretaris op 2 maart 2023 ambtshalve een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend aan verzoekster en haar kinderen.

Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster haar beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. De rechtbank heeft dit verzoek als kennelijk gegrond beoordeeld, omdat de staatssecretaris geheel aan het beroep tegemoet is gekomen door alsnog een besluit te nemen.

De rechtbank heeft de proceskosten vastgesteld op €418,50, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht en een wegingsfactor ‘licht’, aangezien het beroep alleen zag op het niet tijdig nemen van een besluit. Daarnaast is de griffierecht van €184 aan verzoekster vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter J.F.I. Sinack op 2 mei 2023 en openbaar gemaakt op 11 mei 2023.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/176

uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen

[naam], verzoekster

(gemachtigde: mr. W. Rohlof),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 6 januari 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de ten behoeve van haar ingediende aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf.
Bij besluit van 2 maart 2023 heeft verweerder ambtshalve een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan verzoekster en haar kinderen verleend op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoekster heeft besloten en deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingewilligd, is verweerder geheel aan het beroep van verzoekster tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Ook moet verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 184 vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent);
- bepaalt dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht ter hoogte van € 184 (honderdvierentachtig euro) moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, op 2 mei 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.