ECLI:NL:RBDHA:2023:7201

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2023
Publicatiedatum
19 mei 2023
Zaaknummer
NL23.13640
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond vervolgberoep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende vreemdeling, is op 23 februari 2023 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel tot aan de eerdere uitspraak van 14 maart 2023 rechtmatig was en heeft nu beoordeeld of het voortduren van de maatregel na die datum gerechtvaardigd is. Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde, onder meer omdat een brief van eiser aan de Marokkaanse autoriteiten niet was doorgestuurd en dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn.

De rechtbank oordeelt dat verweerder wel degelijk voortvarend heeft gehandeld door meerdere malen contact te zoeken met de Marokkaanse autoriteiten en vertrekgesprekken te voeren met eiser. Het niet direct doorsturen van de brief aan de autoriteiten is niet onrechtmatig omdat deze eerst met eiser besproken zou worden. Er zijn geen aanwijzingen dat de Marokkaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen afgeven binnen de termijn van zes maanden.

De rechtbank concludeert dat het voortduren van de maatregel rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen en hoeft verweerder geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.13640

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser,

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: M. Beker).

Procesverloop

Verweerder heeft op 23 februari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 10 mei 2023 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 maart 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. [1] Daarom staat nu ter beoordeling of sinds 13 maart 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, omdat verweerder heeft nagelaten zijn brief door te zenden aan de Marokkaanse autoriteiten. In deze brief heeft eiser verklaard terug te willen naar Marokko zodra hij uit bewaring is. Verder voert eiser aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aan Marokko ontbreekt, omdat al geruime tijd niet gebleken is dat de Marokkaanse autoriteiten (binnen een redelijke termijn) LP’s [2] verstrekken.
5. In het voortgangsrapport staat vermeld dat verweerder op 3 maart 2023 een LP-aanvraag heeft verstuurd aan de Marokkaanse autoriteiten. Daarna is op 15 maart 2023, 6 april 2023 en op 26 april 2023 schriftelijk gerappelleerd. Verder staat in dit voortgangsrapport dat verweerder op 27 maart 2023 en 24 april 2023 vertrekgesprekken heeft gevoerd met eiser. De rechtbank is van oordeel dat uit deze informatie van verweerder niet blijkt dat hij onvoldoende voortvarend handelt. Dat eisers brief (nog) niet aan de Marokkaanse autoriteiten is doorgestuurd, leidt niet tot een andere conclusie. Immers in het voortgangsrapport staat dat de brief eerst met eiser zal worden besproken. Niet is gebleken dat eiser in het vertrekgesprek van 24 april 2023 heeft verzocht om de brief door te zenden.
6. Verder is de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder voor eiser, is komen te ontbreken. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten voor eiser geen LP zullen afgeven voordat de termijn van zes maanden, genoemd in artikel 59, vijfde lid, van de Vw,is verstreken.
7. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb Den Haag, zp. Middelburg, 14 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3445.
2.Laissez-passer.