ECLI:NL:RBDHA:2023:7422
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding toegekend wegens onrechtmatige bewaring na intrekking voorlopige voorziening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 17 maart 2023 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. Op 11 mei 2023 werd de maatregel opgeheven.
De rechtbank had eerder vastgesteld dat de bewaring tot het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek rechtmatig was. Nu stond alleen de rechtmatigheid van de maatregel na dat moment ter beoordeling. Eiser stelde dat na de niet-ontvankelijkverklaring van zijn opvolgende asielaanvraag op 20 april 2023 de grondslag van de bewaring gewijzigd had moeten worden. Omdat de staatssecretaris dit niet tijdig had gedaan, was de maatregel onrechtmatig vanaf 21 april 2023.
De rechtbank concludeerde dat eiser door het afwachten van de voorlopige voorziening feitelijk rechtmatig verblijf had tot 4 mei 2023, toen hij deze introk. Vanaf 5 mei 2023 had de staatssecretaris de grondslag moeten wijzigen, wat niet gebeurde. Dit leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring van 5 tot 11 mei 2023. De rechtbank kende daarom een schadevergoeding toe van €700 voor deze periode en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €1.674.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was vanaf 5 mei 2023 en kent een schadevergoeding van €700 toe.