ECLI:NL:RVS:2021:2963
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenrechtelijke bewaring onrechtmatig wegens niet tijdige wijziging grondslag na asielwens
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde op 12 oktober 2021 vreemdelingen in bewaring. De vader uitte op 14 oktober 2021 een asielwens, waarna de staatssecretaris de grondslag van de bewaring niet tijdig wijzigde naar artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van de vader gegrond en dat van de moeder en kinderen ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad van State dat de bewaring van de vader vanaf 15 oktober 2021 onrechtmatig was omdat de grondslag niet tijdig werd aangepast.
Daarnaast stelde de Raad vast dat ook de moeder en minderjarige kinderen als asielzoekers moeten worden beschouwd vanaf het moment dat de vader namens het gezin een asielwens uitte. Hierdoor had ook voor hen de grondslag van de bewaring uiterlijk op 16 oktober 2021 moeten worden gewijzigd. Het niet naleven hiervan maakte ook hun bewaring onrechtmatig vanaf 15 oktober 2021.
De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond en kent de vreemdelingen een schadevergoeding toe over de periode van 15 tot en met 18 oktober 2021. De staatssecretaris wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdelingen was onrechtmatig vanaf 15 oktober 2021 en zij krijgen een schadevergoeding toegekend.