ECLI:NL:RBDHA:2023:7525
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening ondanks zorg voor zieke broer
Eiser, een Afghaanse nationaliteit dragende vreemdeling, heeft in Oostenrijk een asielaanvraag ingediend en vervolgens ook in Nederland. Verweerder heeft op grond van de Dublinverordening besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser betoogt dat hij als enige zorgverlener voor zijn zieke broer in Nederland een unieke positie inneemt en dat verweerder op grond van artikel 16 en Pro 17 van de Dublinverordening zijn aanvraag toch had moeten behandelen. De rechtbank volgt dit niet en sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die vereist dat sprake moet zijn van exclusieve afhankelijkheid.
De rechtbank stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als enige de zorgtaken kan verrichten of moeilijk te vervangen is. Ook acht zij de persoonlijke omstandigheden van eiser niet zodanig bijzonder dat verweerder de aanvraag op grond van artikel 17 had Pro moeten behandelen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.