ECLI:NL:RBDHA:2023:7554
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf jongvolwassene op grond van artikel 8 EVRM
Eiser, een jongvolwassene van Syrische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland als gezinslid van zijn broer of vader. Verweerder wees de aanvraag af op grond van artikel 8 EVRM Pro en het jongvolwassenenbeleid, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde tegen het bestreden besluit.
De rechtbank stelde vast dat eiser ten tijde van de aanvraag meerderjarig was en niet voldeed aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Uit verklaringen bleek dat eiser van 2017 tot 2019 in Irak heeft gewerkt en zelfstandig in zijn onderhoud voorzag, waardoor de gezinsband met zijn ouders werd verbroken. Eiser had geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met zijn ouders en leefde niet in gezinsverband met hen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder een evenwichtige belangenafweging had gemaakt, waarbij het economische belang van Nederland zwaarder woog dan de belangen van eiser. Eiser had geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die tot een afwijking van het beleid zouden leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag machtiging voorlopig verblijf is ongegrond verklaard.