ECLI:NL:RBDHA:2023:7576
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen moeder en meerderjarige zoon
Eiseres verzocht om een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) om bij haar meerderjarige zoon, referent, in Nederland te verblijven. De staatssecretaris wees deze aanvraag af, waarna ook het bezwaar werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep en beoordeelde of de staatssecretaris terecht geen vergunning had verleend.
De rechtbank concludeerde dat tussen eiseres en referent geen gezinsleven bestaat dat verder gaat dan de normale ouder-kindrelatie. Zij wonen al ruim 30 jaar niet samen en vormen geen gezin. Hoewel referent medische klachten heeft, is niet gebleken dat hij zodanig hulpbehoevend is dat hij niet zelfstandig kan functioneren of exclusief afhankelijk is van eiseres. Dagelijkse telefonische contacten en bezoeken zijn onvoldoende om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid aan te nemen.
De belangenafweging door de staatssecretaris is eveneens gegrond verklaard. Het algemene belang van de Nederlandse overheid weegt zwaarder dan het persoonlijke belang van eiseres en referent, mede vanwege het feit dat referent een bijstandsuitkering ontvangt en de kosten van vestiging van eiseres ten laste van de overheid zouden komen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat referent vanwege zijn medische situatie niet in Armenië kan verblijven en het gezinsleven daar kan uitoefenen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om griffierechtteruggave af en kent geen proceskostenvergoeding toe.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.