ECLI:NL:RBDHA:2023:7896
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden voor slachtoffer mensenhandel Dublinclaimant
Eiser, een Ugandese nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning voor tijdelijke humanitaire gronden nadat hij in Nederland aangifte deed van mensenhandel. Verweerder wees het verzoek af omdat het Openbaar Ministerie (OM) geen noodzaak zag voor eisers aanwezigheid in Nederland voor opsporing of vervolging, en het strafrechtelijk onderzoek voortijdig werd beëindigd.
Eiser stelde dat hij vanaf het moment van aangifte of later, toen hij werd benaderd door het OM, recht had op een verblijfsvergunning en voerde aan dat het onderscheid tussen Dublinclaimanten en andere slachtoffers van mensenhandel in strijd is met het Unierecht. De rechtbank oordeelde dat het onderscheid gerechtvaardigd is omdat Dublinclaimanten en andere vreemdelingen niet in vergelijkbare situaties verkeren.
De rechtbank verwierp ook het standpunt dat verweerder niet aan zijn positieve verplichtingen voldeed en dat de hoorplicht was geschonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard.