ECLI:NL:RBDHA:2023:80

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2023
Publicatiedatum
9 januari 2023
Zaaknummer
NL22.10842 en NL22.10846
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet tijdig genomen besluiten asielaanvragen en oplegging dwangsom

Eisers hebben beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun asielaanvragen, ingediend op 23 oktober 2021. De wettelijke beslistermijn van zes maanden is verstreken zonder dat verweerder een besluit heeft genomen, noch is deze termijn verlengd. Eisers hebben op 9 mei 2022 een ingebrekestelling verzonden, waarna meer dan twee weken verstreken zonder besluit, waardoor het beroep kennelijk gegrond is.

De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris binnen een redelijke termijn, passend bij het 8+8-weken model, de besluiten moet nemen. Omdat aanmeldgehoren reeds zijn afgenomen en geen nader gehoor nodig is, wordt verweerder opgedragen binnen acht weken na verzending van de uitspraak te beslissen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag, met een maximum van €7.500, opgelegd voor elke dag overschrijding.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eisers, vastgesteld op €418,50. De uitspraak is gebaseerd op relevante artikelen uit de Awb, de Vreemdelingenwet en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hiermee wordt de rechtszekerheid en zorgvuldigheid in de asielprocedure gewaarborgd.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit, beveelt binnen acht weken besluitvorming en legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.10842 en NL22.10846

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam 1] en [Naam 2], eisers

V-nummers: [Nummer 1] en [Nummer 2]
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

Eisers hebben op 10 juni 2022 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun asielaanvragen.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] .

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Eisers hebben op 23 oktober 2021 hun asielaanvragen ingediend. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw [2] bedraagt de beslistermijn zes maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden in het vierde en het vijfde lid om deze termijn te verlengen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 23 april 2022 een beslissing had moeten nemen.
3. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is verstreken zonder dat besluiten op de aanvragen zijn genomen. Eisers hebben aan verweerder op 9 mei 2022 rechtsgeldig een ingebrekestelling verzonden, zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Deze is door verweerder op 10 mei 2022 ontvangen. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken, zonder dat alsnog een besluit door verweerder is genomen, voordat eiser beroep heeft ingesteld. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit zal dan ook worden vernietigd.
4. Eisers hebben aangevoerd dat zij beiden kampen met gezondheidsproblemen en dat het uitzichtloze wachten in het asielzoekerscentrum negatieve invloed op hun gezondheid heeft. Zij willen daarom zo snel mogelijk de asielprocedure doorlopen.
5. Ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, kan de bestuursrechter het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.
6. Zoals de Afdeling [3] heeft overwogen [4] , houdt de rechter er in asielzaken rekening mee dat verweerder aanvragen binnen een redelijke termijn moet hebben behandeld. Bij de bepaling van de nadere termijn is van belang dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. [5] De rechter stelt dus geen nadere termijn waarvan op voorhand vaststaat dat het bestuursorgaan niet zorgvuldig te werk kan gaan. Volgens de Afdeling is een termijn van acht weken voor het houden van een eerste gehoor en een termijn van acht weken hierna voor het bekend maken van een besluit op de aanvraag passend (het 8+8-weken model).
7. De rechtbank stelt vast dat van eisers op 4 november 2021 aanmeldgehoren zijn afgenomen. Niet is gebleken dat eisers nader zullen moeten worden gehoord. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder thans binnen acht weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden besluiten aan eisers bekendmaakt.
8. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022 [6] volgt dat artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet [7] , zoals die luidt sinds 11 juli 2021, onverbindend is, voor zover daarin is bepaald dat de artikelen 8:55d, tweede lid, en 8:72, zesde lid, van de Awb niet van toepassing zijn op besluiten op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Vw. Dit betekent dat de bestuursrechter óók in asielprocedures, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt dat de staatssecretaris binnen de door hem gestelde termijn alsnog een besluit neemt en aan zijn uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat de staatssecretaris in gebreke blijft de uitspraak na te leven.
9. De rechtbank zal gelet hierop bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven ter hoogte van € 100 per dag met een maximum van € 7.500.
10. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50 bestaande uit een punt voor het indienen van de beroepschriften met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten;
  • draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog de besluiten bekend te maken op de asielaanvragen van eisers;
  • bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100 (honderd euro) verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500 (vijfenzeventighonderd euro);
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht
2.Vreemdelingenwet 2000
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
4.Uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560
5.Dit volgt ook uit artikel 31, tweede lid, richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn)
7.Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND