Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Rechtbank Den Haag
Eiseres, met Eritrese nationaliteit, maakte bezwaar tegen haar geplande feitelijke overdracht aan Malta, die op 5 april 2022 zou plaatsvinden. De overdracht werd op 4 april 2022 geannuleerd. Verweerder verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat de vlucht was geannuleerd en weigerde proceskosten te vergoeden, stellende dat de annulering niet te wijten was aan een onrechtmatigheid van het bestuursorgaan.
Eiseres voerde aan dat de annulering het gevolg was van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, namelijk het ontbreken van benodigde stukken waardoor toegang tot Malta voor een minderjarig kind niet gegarandeerd was. Verweerder stelde echter dat de annulering het gevolg was van de weigering van eiseres om een coronatest te ondergaan.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had onderbouwd dat de annulering plaatsvond vanwege de weigering van eiseres om mee te werken aan een coronatest. De verwijzing van eiseres naar eerdere uitspraken over inbewaringstelling was onvoldoende om aan te tonen dat de annulering te wijten was aan een onrechtmatigheid van het bestuursorgaan.
Daarom was er geen grond voor toekenning van proceskosten en verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Tevens werd vastgesteld dat eiseres geen griffierecht hoefde te betalen wegens onvoldoende inkomen of vermogen.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het niet toekennen van proceskosten na annulering van haar feitelijke overdracht aan Malta wordt ongegrond verklaard.