ECLI:NL:RBDHA:2023:805
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen herziening uitkering Participatiewet wegens schending inlichtingenverplichting
Eiseres ontvangt sinds 2009 een uitkering op grond van de Participatiewet. Verweerder heeft in 2021 de uitkering herzien over de periode van augustus 2019 tot maart 2021 en een verrekening van 25 euro per maand ingesteld na een rechtmatigheidsonderzoek waarbij bankafschriften van eiseres en haar minderjarige dochter werden opgevraagd.
Eiseres stelde dat de bedragen die haar minderjarige dochter van haar vader ontving, inkomsten uit arbeid waren waarvoor een vrijlating geldt op grond van artikel 31, tweede lid onder h, van de Participatiewet. De rechtbank oordeelde dat deze betalingen als zakgeld waren geboekt, geen arbeidsrechtelijke verhouding aannemelijk was gemaakt en dat de bedragen als middelen meetellen bij de vaststelling van de uitkering.
Daarnaast is vastgesteld dat eiseres niet tijdig en uit eigen beweging de ontvangst van deze middelen heeft gemeld, waarmee zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dit leidde tot een te hoge uitkering die door verweerder terecht is herzien.
De rechtbank wees het beroep af en oordeelde dat het gewijzigde beleid van verweerder omtrent giften niet van toepassing is omdat dit pas na het bestreden besluit is ingevoerd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de herziening van haar uitkering wordt ongegrond verklaard wegens schending van de inlichtingenverplichting en het niet aannemelijk maken van vrijlating van inkomsten van haar minderjarige dochter.