ECLI:NL:CRVB:2012:BX7177
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermogen boven vrijlatingsgrens bij eenoudergezin
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en maakte pas in 2008 melding van een erfenis die haar minderjarige dochter had ontvangen van haar overleden vader. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode vanaf 1998 tot 2007, omdat het vermogen van de dochter bij de bijstandverlening aan het gezin moest worden betrokken.
De rechtbank vernietigde de intrekking voor de periode tot eind 2002, maar verklaarde het beroep voor het overige ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet beschikte over het vermogen van haar dochter omdat het beheer bij een zwager lag en dat zij zonder machtiging niet over de bankrekening kon beschikken.
De Raad oordeelde dat appellante als gezagsouder het beheer voerde over het vermogen van haar dochter en dat zij redelijkerwijs over het vermogen kon beschikken. Appellante had geen bewijs geleverd van beperkingen op de bankrekening en had de wettelijke inlichtingenplicht geschonden door de erfenis laat te melden. De Raad bevestigde de intrekking en terugvordering over de periode vanaf eind 2002 en oordeelde dat de terugvordering over de eerdere periode terecht niet was toegewezen.
Daarnaast veroordeelde de Raad het college in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep, vanwege het deels onterecht niet toewijzen van kosten door de rechtbank. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 4 september 2012.
Uitkomst: De Raad bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens vermogen boven de vrijlatingsgrens en veroordeelt het college in de proceskosten van appellante.