ECLI:NL:RBDHA:2023:844

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 januari 2023
Publicatiedatum
31 januari 2023
Zaaknummer
NL23.1354
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 96 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting naar Marokko

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 28 november 2022 door verweerder is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko omdat de aanvraag voor een laissez-passer niet zou zijn ingediend of niet compleet is.

De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring reeds eerder rechtmatig is bevonden in een uitspraak van 15 december 2022. De beoordeling richt zich daarom op de rechtmatigheid sinds het sluiten van dat onderzoek. Verweerder heeft op 1 december 2022 een lp-aanvraag ingediend en de Marokkaanse identiteitskaart van eiser meegestuurd, wat bevestigd is in een voortgangsrapport en ter zitting. Daarnaast zijn meerdere rappels aan de Marokkaanse autoriteiten gestuurd.

De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende voortvarend handelt en dat het uitblijven van reactie van de Marokkaanse autoriteiten niet aan verweerder te wijten is. Er is daarom wel degelijk zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.1354

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 28 november 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 23 januari 2023.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 december 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:13860) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat in zijn geval het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Al op 28 november 2022 is er een aanvraag ingediend voor een laissez-passer (lp) bij de Marokkaanse autoriteiten, maar tot op heden hebben zij daarop niet gereageerd. Eiser stelt daarnaast dat de LP-aanvraag ontbreekt in het dossier zodat niet inzichtelijk is of deze daadwerkelijk is verzonden en of daarbij de Marokkaanse identiteitskaart van eiser is meegestuurd. Verweerder handelt dan ook onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Anders dan eiser stelt heeft verweerder op 1 december 2022 een lp-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Dit volgt afdoende uit het voortgangsrapport. Daarbij heeft verweerder op 14 december 2022 ter zitting bevestigd dat de Marokkaanse identiteitskaart van eiser met de aanvraag is meegestuurd. De rechtbank ziet geen reden om aan deze mededeling te twijfelen. Verweerder heeft verder op 2 december 2022, 22 december 2022 en 12 januari 2023 een rappel gestuurd aan de Marokkaanse autoriteiten. Dat de Marokkaanse autoriteiten tot op heden nog niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag valt verweerder, gelet daarop niet te verwijten en leidt dan ook niet tot de conclusie dat geen zicht op uitzetting bestaat naar Marokko binnen een redelijke termijn.
6. De rechtbank ziet tenslotte ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. [1]
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in de