ECLI:NL:RBDHA:2023:846
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken feitelijke gezinsband bij nareis
De zaak betreft een beroep tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis af te wijzen. Eiseres is de echtgenote van de referent, die een verblijfsvergunning asiel heeft. Hoewel de familierechtelijke relatie en het huwelijk niet in geschil zijn, is de kern van het geschil of er sprake was van een feitelijke gezinsband op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland.
De rechtbank overweegt dat op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn en de Vreemdelingencirculaire vereist is dat de referent aannemelijk maakt dat de nareizende partner tot zijn gezin behoorde bij binnenkomst. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat dit niet is aangetoond, mede omdat de referent sinds mei 2019 geen persoonlijk contact meer had met eiseres bij binnenkomst in maart 2020.
De rechtbank oordeelt dat verweerder dit standpunt terecht heeft ingenomen, mede gelet op de verklaring van de referent dat hij aanvankelijk de intentie had een andere partner te laten nareizen. Ook het feit dat het huwelijk voor binnenkomst was gesloten en dat er sinds augustus 2020 weer contact is, leidt niet tot het oordeel dat er een feitelijke gezinsband bestond bij binnenkomst. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken van een feitelijke gezinsband wordt ongegrond verklaard.