ECLI:NL:RVS:2019:206
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- A.J.C. de Moor-van Vught
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verbreking feitelijke gezinsband ondanks rechtsgeldig huwelijk bij aanvraag machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris wees een aanvraag van de Eritrese vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De vreemdeling, gehuwd met een referent die een verblijfsvergunning asiel heeft, stelde beroep in tegen deze afwijzing. De rechtbank oordeelde dat de feitelijke gezinsband niet verbroken kon zijn zolang het huwelijk rechtsgeldig was en vernietigde het besluit.
De staatssecretaris ging tegen deze uitspraak in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat volgens de Gezinsherenigingsrichtlijn en het beleid een feitelijke gezinsband ook verbroken kan zijn zonder juridische ontbinding van het huwelijk. Het enkele niet samenwonen is onvoldoende om de band te verbreken, maar kan wel een indicatie zijn in samenhang met andere omstandigheden.
In deze zaak woonden vreemdeling en referent slechts zeven maanden samen, waarna de vreemdeling terugkeerde naar haar ouderlijk huis en zij negen maanden vrijwel geen contact hadden ondanks korte afstand. Ook was er geen financiële afhankelijkheid en ontving de referent geen informatie over vertrek uit Eritrea. De Afdeling oordeelde dat de feitelijke gezinsband hierdoor is verbroken.
Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard omdat de feitelijke gezinsband met de referent is verbroken ondanks het rechtsgeldig huwelijk.