De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd vanwege het verlopen van de Spaanse verblijfsvergunning en het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.
Eiser stelde dat er bij het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling geen beëdigde tolk was gebruikt, waardoor zijn belangen mogelijk zijn geschaad. De rechtbank constateerde dat een niet-beëdigde tolk Spaans was ingezet wegens het ontbreken van een beëdigde tolk, maar oordeelde dat dit gebrek onvoldoende was gemotiveerd. Desondanks werd vastgesteld dat eiser niet in zijn belangen was geschaad, omdat er geen communicatieproblemen waren en hij zijn zienswijze kon geven.
De rechtbank concludeerde dat de zware en lichte gronden die de staatssecretaris aan de maatregel ten grondslag legde, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen, het onttrekken aan toezicht, het ontbreken van een vaste verblijfplaats, onvoldoende middelen van bestaan en het verrichten van arbeid in strijd met de wet, voldoende waren om de maatregel te dragen. Ook was er geen lichter middel passend en werkte de staatssecretaris voortvarend aan uitzetting.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak kan binnen een week worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.