ECLI:NL:RBDHA:2023:8847
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Polen
Verzoeker, met de Poolse nationaliteit, werd medegedeeld dat hij op 15 juni 2023 zal worden uitgezet naar Polen. Hij maakte hiertegen bezwaar en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond was. Het besluit van 17 april 2023 stelde vast dat verzoeker geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en dat hij onverwijld moet terugkeren naar Polen. Verzoeker had geen rechtsmiddelen tegen dit besluit aangewend, waardoor het oordeel vaststaat.
Verzoekers stelling dat hij onrechtmatig in bewaring is gesteld werd niet gevolgd, omdat bewaring de feitelijke mogelijkheid tot uitzetting dient. Ook het verzoek om nader onderzoek naar zijn geestelijke gezondheid werd afgewezen wegens gebrek aan objectieve onderbouwing en medische stukken.
De voorzieningenrechter concludeerde dat onverwijlde spoed een mondelinge behandeling overbodig maakte en dat partijen daardoor niet in hun belangen werden geschaad. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Polen is afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid.