ECLI:NL:RBDHA:2023:8907
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ongeloofwaardige bekering tot christendom
Eiser, een Iraakse vreemdeling, heeft een opvolgende asielaanvraag ingediend op grond van zijn gestelde bekering tot het christendom en afvalligheid van de islam. De staatssecretaris heeft deze aanvraag afgewezen omdat de bekering niet geloofwaardig werd geacht en eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak vervolging of ernstige schade zou ondervinden.
De rechtbank overweegt dat afvalligheid en bekering niet als afzonderlijke asielmotieven kunnen worden beoordeeld omdat eiser zelf geen duidelijk onderscheid tussen deze fases heeft gemaakt. De afvalligheid is daarom betrokken bij de beoordeling van de bekering. De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van verweerder dat de bekering niet aannemelijk is, mede vanwege het ontbreken van een overtuigend authentiek verhaal over de motieven, persoonlijke beleving en activiteiten rondom het geloof.
Eiser heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft getoetst of hij als afvallige wordt vervolgd en dat hij risico loopt vanwege verwestering, maar deze gronden slagen niet. De rechtbank benadrukt dat het feit dat het goed gaat met eiser in Nederland niet relevant is voor de asielprocedure. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardige bekering.