Eiser, een Syrische asielzoeker, diende een asielaanvraag in Nederland in nadat hij eerder in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublinverordening, stellende dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de asielprocedure en dat er geen reëel risico is op schending van fundamentele rechten.
Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer zonder nader onderzoek kan worden aangenomen vanwege concrete aanwijzingen uit het AIDA-rapport en eerdere jurisprudentie over systeemfouten in de opvang van Dublinclaimanten in Bulgarije. De rechtbank oordeelde dat het AIDA-rapport van 30 maart 2023 voldoende concrete aanknopingspunten bevat dat niet-kwetsbare Dublinclaimanten een reëel risico lopen op ernstige materiële deprivatie.
Verweerder slaagde er niet in om dit vermoeden met een deugdelijke motivering te weerleggen en had geen nader onderzoek verricht in Bulgarije. Daarom was het besluit niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank vernietigde het besluit, veroordeelde verweerder in de proceskosten en droeg op tot een nieuw besluit na nader onderzoek naar de opvangsituatie in Bulgarije.