Verzoeker, een Sri Lankaanse Tamil, diende op 29 maart 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag op 1 maart 2023 af als kennelijk ongegrond, onder meer omdat niet aannemelijk was dat de Sri-Lankaanse autoriteiten op de hoogte waren van politieke activiteiten van verzoeker en er geen sprake zou zijn van een fundamentele politieke overtuiging.
Verzoeker stelde dat het begrip fundamentele politieke overtuiging niet vereist is voor een geslaagd beroep op artikel 10, eerste lid, onder e, van de Definitierichtlijn, verwijzend naar het arrest Ahmedbekova en prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank nam kennis van deze prejudiciële vragen en achtte de antwoorden van het HvJEU relevant voor de beoordeling van het beroep.
Daarom besloot de voorzieningenrechter het beroep aan te houden en het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. Het bestreden besluit wordt geschorst en verzoeker mag niet worden uitgezet tot vier weken na de beslissing op het beroep. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.