ECLI:NL:RBDHA:2023:9046

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juni 2023
Publicatiedatum
23 juni 2023
Zaaknummer
NL23.12436
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b lid 1, 3 en 4 VreemdelingenbesluitECLI:NL:RVS:2018:2263ECLI:EU:C:2022:858
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van vreemdelingenwet

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om een maatregel van bewaring op te leggen op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd gerechtvaardigd door het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren.

Eiser stelde dat een lichter middel passend was vanwege zijn psychische problematiek en dat detentie schadelijk voor zijn gezondheid zou zijn. De rechtbank oordeelde dat verweerder de medische situatie van eiser had betrokken en dat de beschikbare medische zorg in het detentiecentrum als toereikend werd beschouwd. Eiser had onvoldoende medische onderbouwing geleverd om detentieongeschiktheid aan te tonen.

Daarnaast voerde eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld in de uitzettingsprocedure. De rechtbank constateerde dat een aanvraag voor een laissez-passer bij de Nigeriaanse autoriteiten liep en dat verweerder maandelijks rappelleerde, wat voldoende voortvarendheid opleverde.

De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat de voortzetting van de maatregel van bewaring rechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.12436

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.G. Wattilete),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker).

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 mei 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
De gronden zijn niet betwist. Het risico op onttrekking aan het toezicht staat hierdoor vast.
2. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Het verblijf in het detentiecentrum Rotterdam valt eiser bovendien erg zwaar, omdat hij last heeft van psychische problematiek. Om die reden is de detentie mogelijk schadelijk voor eisers gezondheid. Uit de maatregel blijkt niet dat dit voldoende is meegewogen in het besluit.
2.1.
De rechtbank overweegt dat verweerder bij de oplegging van de maatregel van bewaring eisers medische en psychische klachten heeft betrokken (pagina 4 van het M109-formulier). Hij heeft daarover toegelicht dat eiser tijdens zijn bewaring te allen tijde een beroep kan doen op de medische dienst in het detentiecentrum. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat van de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum kan worden aangenomen dat deze in de basis gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De rechtbank overweegt, in aanmerking genomen de vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 5 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2263, dat het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat hij, ondanks de in het detentiecentrum beschikbare medische zorg, detentieongeschikt is. Eiser heeft echter geen (medische) stukken overgelegd die zijn stelling dat hij detentieongeschikt zou zijn onderbouwen. Hij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare medische zorg in zijn geval niet toereikend is, dat hij niet in staat kan worden geacht de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan of dat zijn medische/psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg zullen verslechteren.
2.2.
Gelet op het vorenstaande en de niet bestreden gronden heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat in de medische en psychische situatie van eiser geen grond was gelegen om af te zien van bewaring en om een lichter middel toe te passen.
3. Eiser betoogt verder dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting. De enkele omstandigheid dat bij de Nigeriaanse autoriteiten een aanvraag is gedaan voor de afgifte van een laissez-passer (lp) is hiervoor niet voldoende. Ook ontbreekt het zicht op uitzetting naar Nigeria.
3.1.
Uit het dossier blijkt dat de op 7 maart 2023 ingediende lp-aanvraag nog loopt bij de Nigeriaanse autoriteiten. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat in de regel maandelijks wordt gerappelleerd. Verweerder is afhankelijk van de Nigeriaanse autoriteiten en moet naar het oordeel van de rechtbank daarom enige tijd worden gegund om de reactie van de Nigeriaanse autoriteiten af te wachten. Dat er nog geen bericht is ontvangen van de Nigeriaanse autoriteiten op de lp-aanvraag en de presentatie van eiser in persoon nog niet heeft plaatsgevonden, maakt niet dat daarmee thans het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Niet valt uit te sluiten dat de Nigeriaanse autoriteiten voor eiser binnen een redelijke termijn een lp zullen verstrekken. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting naar Nigeria in zijn algemeenheid ontbreekt of dat de Nigeriaanse autoriteiten bij voorbaat niet zullen meewerken.
3.2.
Op 20 april 2023 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden. Door in ieder geval binnen veertien na de inbewaringstelling een vertrekhandeling te verrichten, handelt verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend.
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.