ECLI:NL:RBDHA:2023:9056

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juni 2023
Publicatiedatum
23 juni 2023
Zaaknummer
NL23.16350
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59-1a VwArt. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 6 VreemdelingenbesluitArt. 62 VreemdelingenbesluitArt. 8 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd genomen vanwege het risico dat eiseres zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. De rechtbank beoordeelde de gronden voor bewaring als voldoende en onbetwist.

Eiseres voerde aan dat de Staatssecretaris onvoldoende voortvarend was in de verwijdering, dat voorafgaande toestemming van het Openbaar Ministerie voor inbewaringstelling ontbrak, en dat de vertrektermijn onjuist was vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris wel degelijk voortvarend handelde, dat toestemming van het OM niet vereist is voor inbewaringstelling maar voor uitzetting, en dat de vertrektermijn correct was vastgesteld en verstreken.

De rechtbank voerde tevens ambtshalve toetsing uit aan de hand van het arrest van het Hof van Justitie van de EU en concludeerde dat de voortduring van de maatregel van bewaring rechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.16350

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres], eiseres,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. C. van Twillert).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 Vw opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juni 2023 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om informatie over te leggen waaruit blijkt wanneer de vertrektermijn zoals bedoeld in het besluit (van 26 september 2022) aanving en om eiser in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.
De rechtbank heeft tevens aanleiding gezien om verweerder in de gelegenheid te stellen om de recente justitiële documentatie te overleggen. Vervolgens heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser hierover telefonisch geïnformeerd en daarbij in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.
Verweerder heeft de voornoemde stukken op 14 juni 2023 overgelegd.
Eiser heeft daarop op 14 juni 2023 gereageerd.
De rechtbank heeft, met toestemming van partijen vooraf, vervolgens het onderzoek op
15 juni 2023 gesloten.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
1.1.
Eiseres heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. Deze gronden zijn tezamen voldoende om de maatregel te dragen. Hiermee staat een risico op onttrekking aan het toezicht vast.
2. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld nu op 12 juni 2023 de laissez-passer aanvraag is doorgezonden aan de Poolse autoriteiten en op 13 juni 2023 een vertrekgesprek is gevoerd met eiser. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
3. Eiseres voert aan dat verweerder voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring toestemming had moeten vragen aan het Openbaar Ministerie (OM) om haar uit te zetten. Nu deze toestemming niet is gegeven dan wel gevraagd vóór de inbewaringstelling, is de maatregel van bewaring onzorgvuldig voorbereid.
3.1.
Uit vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraken van 12 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:293, en van 20 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3821) volgt dat het ontbreken van bezwaar van het OM een voorwaarde is voor de uitzetting en niet voor de inbewaringstelling. In dit geval is er nog geen uitzettingsdatum bekend. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder gehouden was om voor de inbewaringstelling contact te zoeken met het OM. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de vertrektermijn van één maand in het primaire besluit (van 26 september 2022), is geschorst met het indienen van de voorlopige voorziening. De vertrektermijn is, aldus eiser, aangevangen op 15 mei 2023. Zij had dus tot 15 juni 2023 de tijd om te voldoen aan haar vertrekverplichting. De inbewaringstelling is dus onrechtmatig.
4.1.
Bij beslissing van 26 september 2022 (primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf (meer) heeft op grond van het Unierecht. Hieruit vloeit het rechtsgevolg dat eiseres Nederland binnen één maand moet verlaten. Ook staat hierin opgenomen dat eiseres de beslissing op een bezwaar in Nederland mag afwachten indien eiseres tegen het besluit bezwaar maakt. Eiseres is hiertegen op 24 oktober 2022 in bezwaar gegaan. In het besluit van 15 december 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en opgenomen dat eiseres de beslissing niet mag afwachten indien zij beroep instelt, maar dat zij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wel in Nederland mag afwachten. Eiseres heeft vervolgens tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarbij heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Op grond van artikel 6 in Pro samenhang bezien met artikel 62 van Pro het Vb dient eiseres Nederland uit eigen beweging binnen één maand (vier weken) te verlaten. Dat eiseres de beslissing op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten, levert geen rechtmatig verblijf op zoals bedoeld in artikel 8 van Pro de Vw. Bovendien betekent niet dat de rechtsgevolgen van het primaire besluit (van 26 september 2022) zijn opgeschort. Naar het oordeel van de rechtbank is de vertrektermijn, nadat het bezwaar van eiseres ongegrond is verklaard, op 15 januari 2023 verstreken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Oonincx, rechter, in aanwezigheid van G. de Man, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.