ECLI:NL:RBDHA:2023:9238
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering ZW- en WW-uitkering met terugwerkende kracht
Eiser was sinds 1991 in dienst bij een bedrijf en werd op staande voet ontslagen in maart 2016. Hij ontving daarop WW- en later ZW-uitkeringen. Na een gerechtelijke procedure werd de arbeidsovereenkomst hersteld en is een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij het loon over de periode van maart 2016 tot en met december 2018 alsnog werd betaald.
Verweerder trok daarop de ZW- en WW-uitkeringen met terugwerkende kracht in en vorderde de te veel betaalde bedragen terug. Eiser voerde aan dat de intrekking niet met terugwerkende kracht mocht en dat het hem niet duidelijk was dat hij de uitkeringen onterecht ontving. Tevens stelde hij dat een besluit tot intrekking van de ZW-uitkering ontbrak.
De rechtbank oordeelde dat de brief van 21 februari 2019 als intrekkingsbesluit moet worden aangemerkt en dat verweerder de beleidsregels correct heeft toegepast. Omdat eiser al bij het starten van de procedure tegen zijn ontslag rekening had moeten houden met de mogelijkheid van intrekking, was het hem redelijkerwijs duidelijk dat hij de uitkeringen onterecht ontving. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de terugvordering van de te veel betaalde uitkeringen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de ZW- en WW-uitkeringen met terugwerkende kracht worden bevestigd.