ECLI:NL:CRVB:2006:AW9545
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering van WW-uitkering wegens FLEX-pensioen met terugwerkende kracht
Appellante was van 1971 tot 1997 in dienst bij een ziekenhuis en ontving vanaf 1 januari 1997 een WW-uitkering tot 1 januari 2003. In 2002 werd zij geïnformeerd over een FLEX-pensioen dat met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2001 werd toegekend en uitgekeerd. Het UWV herzag daarop de WW-uitkering en vorderde een bedrag van ruim €15.000 terug, omdat het pensioen in mindering moest worden gebracht op de uitkering.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en stelde dat appellante redelijkerwijs vóór 1 januari 2001 had moeten weten dat zij onterecht WW ontving, omdat zij bewust had gekozen het pensioen later te laten ingaan. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellante pas op 22 april 2002 door het pensioenfonds op de hoogte werd gesteld van de terugwerkende kracht en dat zij daarvoor geen verwijt kon worden gemaakt.
De Raad vernietigde het besluit van 30 mei 2005 van het UWV omdat het in strijd was met de beleidsregel omtrent herziening van uitkeringen en het toepasselijke recht. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze uitspraak. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het geschil over het eerdere besluit daarmee kwam te vervallen.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot terugvordering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.