Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Artikel 8 van Pro het EVRM
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Colombiaanse nationaliteit, werd in 1995 ongewenst verklaard en uitgezet vanwege meerdere veroordelingen voor opiumdelicten. Na herhaalde terugkeer naar Nederland en nieuwe veroordelingen, waaronder een gevangenisstraf in 2014 en een veroordeling in 2020 wegens identiteitsfraude, legde de staatssecretaris op 28 december 2021 een terugkeerbesluit en een tienjarig inreisverbod op, terwijl de ongewenstverklaring werd opgeheven.
Eiser voerde aan dat hij geen actueel gevaar voor de openbare orde vormt en dat het inreisverbod onevenredig en willekeurig is opgelegd, mede omdat hij sinds 2014 geen nieuwe opiumdelicten heeft gepleegd en zijn leven in Colombia positief zou zijn veranderd. Ook stelde hij dat het besluit in strijd is met artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn familieleven in Nederland.
De rechtbank oordeelt dat eiser ondanks zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd dat hij geen actueel gevaar vormt, mede vanwege zijn herhaalde terugkeer en nieuwe veroordelingen. Het tijdsverloop rechtvaardigt het opleggen van het inreisverbod en er is geen sprake van willekeur. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalt omdat eiser tijdens het gehoor verklaarde geen partner of kinderen in Nederland of de EU te hebben en zijn latere stellingen onvoldoende zijn onderbouwd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot opheffing van de ongewenstverklaring, het terugkeerbesluit en het tienjarige inreisverbod wordt ongegrond verklaard.