ECLI:NL:RBDHA:2023:9278
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Marokko
De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) heeft verzoeker meegedeeld dat hij op 29 juni 2023 zal worden uitgezet naar Marokko. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze feitelijke uitzetting en vroeg om een voorlopige voorziening. De rechtbank behandelde het verzoek zonder zitting vanwege het spoedeisende karakter.
Verzoeker stelde dat hij als minderjarige in Spanje verbleef en daar opvang genoot, en dat mogelijk zijn asielprocedure in Spanje nog aanhangig is, waardoor Nederland slechts bevoegd zou zijn om hem naar Spanje uit te zetten. Verweerder stelde dat Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag omdat verzoeker in Nederland asiel heeft aangevraagd en dat er geen aanwijzingen zijn dat Spanje verantwoordelijk is. Tevens is aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod van twee jaar.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting beperkt is tot de wijze van gebruik van de bevoegdheid of nieuwe feiten die de rechtmatigheid van de uitzetting in twijfel trekken. Verzoeker voerde geen nieuwe of relevante feiten aan. Het betoog dat hij niet in het bezit is van een paspoort of laissez-passer werd verworpen, omdat een laissez-passer aanwezig is. Ook het argument dat de strafrechtelijke detentie eindigt en verzoeker daarna vrij is, leidt niet tot een ander oordeel.
De rechtbank wees het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de feitelijke uitzetting naar Marokko is afgewezen.