ECLI:NL:RBDHA:2023:9321
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument wegens niet aannemelijk gemaakte identiteit en nationaliteit
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waarmee hij zijn rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan wilde aantonen. De staatssecretaris heeft deze aanvraag afgewezen vanwege het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs en onvoldoende bewijs van identiteit en nationaliteit.
Eiser heeft in bezwaar geen aanvullende bewijsstukken overgelegd en evenmin een reden gegeven voor het niet overleggen van deze documenten. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden uit paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingenprocedure 2000.
Daarnaast heeft eiser weliswaar enkele foto's overgelegd waaruit blijkt dat hij betrokken is bij zijn minderjarige kind, maar onvoldoende aangetoond dat zijn zorgtaken meer dan marginaal zijn. Ook het beroep op schending van de hoorplicht wordt verworpen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is en er geen nieuwe feiten zijn ingebracht die tot een ander besluit zouden leiden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de afwijzing van de aanvraag door de staatssecretaris. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard.