ECLI:NL:RVS:2020:1686
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over afwijzing machtiging voorlopig verblijf minderjarige vreemdelingen
Bij besluit van 6 juni 2018 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van minderjarige vreemdelingen met de Ghanese nationaliteit om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen, die bij hun vader in Nederland wilden verblijven, stelden dat er sprake was van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris terecht had gemotiveerd dat onvoldoende feitelijke invulling werd gegeven aan het gestelde gezinsleven. Hoewel de vader geldbedragen had overgemaakt en meerdere keren naar Ghana was gereisd, was niet aannemelijk dat er hechte persoonlijke banden bestonden of dat verzorgende en opvoedende taken waren vervuld. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris een verificatieonderzoek of DNA-onderzoek had moeten verrichten.
Verder oordeelde de Afdeling dat de rechtbank onjuist had geoordeeld dat de hoorplicht was geschonden. De staatssecretaris mocht afzien van een hoorzitting omdat op basis van het bezwaarschrift redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt alsnog ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf blijft in stand.