Eiser diende op 1 juli 2021 een asielaanvraag in. De wettelijke beslistermijn van zes maanden liep derhalve af op 1 januari 2022. Verweerder verlengde deze termijn eenmalig met negen maanden tot uiterlijk 1 oktober 2022. Verweerder stelde later dat op grond van een wijziging in de Vreemdelingenwet (WBV 2022/22) de beslistermijn opnieuw verlengd kon worden tot 1 april 2023, maar de rechtbank oordeelde dat hiervoor geen wettelijke grondslag bestond.
De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn op 1 oktober 2022 eindigde en dat verweerder niet tijdig een besluit heeft genomen. Eiser stelde verweerder op 11 oktober 2022 rechtsgeldig in gebreke en diende daarna tijdig beroep in. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank bepaalde dat verweerder binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen en legde een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €7.500 bij niet-naleving. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser ad €418,50.