De zaak betreft een geschil over de vraag of de contractuele boeterente over een boedelvordering van €23.097,17, voortvloeiend uit een huurtermijn na faillissement van Van Hoogevest Bouw B.V., is verjaard. De huurovereenkomst liep oorspronkelijk tot 2011, maar werd door de curator wegens faillissement tussentijds opgezegd. De curatoren stelden dat de huurtermijn was voldaan via een bankgarantie en dat de boeterente was verjaard na vijf jaar.
De rechtbank oordeelde dat de bankgarantie niet zag op de huurtermijn zelf, maar op leegstandschade na opzegging. De huurtermijn was derhalve niet voldaan. Verder werd geoordeeld dat de boeterente als samengestelde rente moet worden berekend, omdat de boeterente maandelijks over het openstaande bedrag inclusief eerdere boeterentes verschuldigd is.
Ten aanzien van verjaring stelde de rechtbank vast dat de boeterente een boedelschuld is en daarmee niet onder de bijzondere verjaringregels van de Faillissementswet valt. De boeterente werd vanaf de opeisbaarheid in 2009 verjaard, maar de verjaring is gestuit vanaf september 2017. De rechtbank wees een beroep op redelijkheid en billijkheid tegen verjaring af en matigde de boeterente niet, omdat het bedrag niet buitensporig was.
De rechtbank verklaarde voor recht dat de vordering inclusief samengestelde boeterente vanaf 1 oktober 2017 tot volledige voldoening loopt, veroordeelde de curatoren in de proceskosten en wees het meer of anders gevorderde af.