Uitspraak
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
beiden kantoorhoudende te Apeldoorn,
2.Uitgangspunten en feiten
4.Beslissing
in het incidentele beroep:
24 december 2021.
Hoge Raad
Deze zaak betreft de vraag of wettelijke of contractuele vertragingsrente over huur die als boedelschuld is verschuldigd, ook als boedelschuld moet worden beschouwd in een faillissement.
[eiseres] verhuurde bedrijfsruimte aan [A] B.V., dat in 2015 failliet werd verklaard. De curatoren zegden de huurovereenkomst op en betaalden de huurboedelschuld, maar weigerden de contractuele vertragingsrente te voldoen. De lagere rechter en het hof wezen de vordering tot betaling van rente af.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart voor recht dat de contractuele vertragingsrente over niet tijdig betaalde huurtermijnen vanaf de vervaldatum tot aan betaling verschuldigd is en als boedelschuld moet worden aangemerkt. De curator is in verzuim indien de boedelschuld niet tijdig wordt voldaan, en de rente volgt de hoofdvordering. De kosten worden verdeeld en de curatoren worden veroordeeld in de cassatiekosten.
Deze uitspraak verduidelijkt de positie van rentevorderingen in faillissementen en bevestigt dat contractuele vertragingsrente bij boedelschulden behoort, mits sprake is van verzuim.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart dat de contractuele vertragingsrente over huurboedelschulden als boedelschuld moet worden aangemerkt en vanaf de vervaldatum verschuldigd is.