ECLI:NL:RBDHA:2023:9679
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Geen rechtmatig verblijf als Unieburger en afwijzing beroep tegen verwijderingsmaatregel
Eiser, een Poolse Unieburger met diverse strafrechtelijke antecedenten en zonder vaste verblijfplaats, werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het rechtmatig verblijf in Nederland ontzegd op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Verweerder stelde vast dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor verblijf als Unieburger, mede omdat hij geen economische activiteiten verrichtte, geen zelfstandige middelen had en geen bijzondere band met Nederland had opgebouwd.
Eiser voerde in beroep aan dat de belangenafweging ten onrechte in zijn nadeel was uitgevallen, dat de strafrechtelijke antecedenten onevenredig zwaar waren meegewogen, dat de verwijderingsmaatregel in strijd was met het lex certa-beginsel en dat de opgelegde vertrektermijn te kort was. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het belang van de Nederlandse samenleving zwaarder heeft laten wegen dan het individuele belang van eiser en dat de strafrechtelijke antecedenten niet in de belangenafweging waren betrokken.
Verder stelde de rechtbank vast dat het lex certa-beginsel niet werd geschonden omdat de vaststelling van geen rechtmatig verblijf een declaratoir karakter heeft en eiser zelf verantwoordelijk is voor het naleven van de voorwaarden voor verblijf. Hoewel de vertrektermijn in het besluit te kort was geformuleerd, had eiser feitelijk een langere termijn gekregen zonder beperkende maatregelen, waardoor hij geen belang meer had bij deze klacht.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.