ECLI:NL:RBDHA:2023:9680
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Geen rechtmatig verblijf Unieburger wegens ontbreken werknemerstatus en negatieve belangenafweging
Eiser, een Poolse Unieburger zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, werd door de vreemdelingenpolitie gehoord op verdenking van geen rechtmatig verblijf. Verweerder stelde bij besluit vast dat eiser niet voldoet aan artikel 8.12 Vreemdelingenbesluit 2000 omdat hij geen werknemer, zelfstandige, student of werkzoekende is en onvoldoende middelen heeft.
Eiser voerde aan dat hij wel werknemer was op grond van een intentieverklaring en dat de verwijderingsmaatregel onterecht was, onder meer vanwege een onjuiste belangenafweging en strijd met het lex certa-beginsel. De rechtbank oordeelde dat de intentieverklaring onvoldoende concreet was om werknemerstatus aan te nemen en dat verweerder terecht de belangenafweging in het nadeel van eiser liet uitvallen vanwege het ontbreken van binding met Nederland.
De rechtbank verwierp het lex certa-verweer en stelde dat eiser geen belang had bij beoordeling van de vertrektermijn van 28 dagen in plaats van 30, omdat hij feitelijk een langere termijn had. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van geen rechtmatig verblijf wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.