ECLI:NL:RBDHA:2023:9697

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2023
Publicatiedatum
5 juli 2023
Zaaknummer
AWB 22/1941
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid na bezwaarbesluit

Verzoeker heeft bij besluit van 14 maart 2022 een afwijzing ontvangen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Hiertegen maakte hij bezwaar, waarna de staatssecretaris op 23 mei 2022 op dit bezwaar heeft beslist. Verzoeker heeft vervolgens een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen mogelijk is indien er een bezwaar of beroep aanhangig is. Nu het bezwaar reeds is beslist en er geen beroep is ingesteld binnen de daarvoor gestelde termijn, is het verzoek niet ontvankelijk. Er kan geen toepassing worden gegeven aan de mogelijkheid om een verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar om te zetten in een verzoek hangende beroep.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar reeds is beslist en er geen beroep is ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 22/1941

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer],
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 23 mei 2022 heeft verweerder op het bezwaar beslist.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is een verzoek om een voorlopige voorziening alleen mogelijk als er ook een bezwaar (of beroep) aanhangig is.
2. Aangezien verweerder al op het bezwaar heeft beslist, is er geen bezwaar meer aanhangig. Evenmin is er beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar, terwijl de termijn daarvoor inmiddels is verlopen. Er kan dus geen toepassing worden gegeven aan artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb (het aanmerken van een verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar als een verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep).
3. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, op de hieronder vermelde datum en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open