ECLI:NL:RBDHA:2023:9797
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging EU-verblijfsrecht wegens bedreiging openbare orde
Verzoeker is op onbekende datum naar Nederland gekomen en kort ingeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens. Hij is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf wegens poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, met een contactverbod van vijf jaar. Verweerder beëindigde het EU-verblijfsrecht van verzoeker en verklaarde hem ongewenst op grond van artikel 67 Vreemdelingenwet Pro 2000 vanwege een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de samenleving.
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om uitzetting te verbieden totdat op bezwaar is beslist. Hij voerde aan dat onvoldoende is onderbouwd dat hij een bedreiging vormt, dat hij geen recidivegevaar heeft en dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn economische belangen en het ontbreken van een vertrektermijn.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat het gedrag van verzoeker een ernstige bedreiging vormt, mede gelet op de aard van het misdrijf, de telefonische bedreigingen vanuit de gevangenis en het opgelegde contactverbod. Verzoekers betogen worden verworpen, ook omdat hij reeds is gehoord en er geen reden is voor een andere vertrektermijn dan onmiddellijke uitzetting.
De voorzieningenrechter concludeert dat het belang van de samenleving zwaarder weegt dan dat van verzoeker en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging van het EU-verblijfsrecht en onmiddellijke uitzetting wordt afgewezen.