ECLI:NL:RBDHA:2023:981

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2023
Publicatiedatum
2 februari 2023
Zaaknummer
NL22.17444
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag met verzoek om bestuurlijke en rechterlijke dwangsom

In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. De rechtbank Den Haag heeft op 27 januari 2023 uitspraak gedaan zonder zitting, op basis van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser had op 20 november 2019 een asielaanvraag ingediend, die op 1 april 2021 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid was afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, maar dit werd ongegrond verklaard. Echter, het hoger beroep dat eiser indiende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd gegrond verklaard, waardoor de eerdere uitspraak werd vernietigd en de staatssecretaris verplicht werd om opnieuw op de asielaanvraag te beslissen.

De rechtbank constateert dat de beslistermijn van zes maanden, zoals bepaald in de Vreemdelingenwet 2000, is verstreken zonder dat er een nieuwe beslissing is genomen. Eiser heeft de staatssecretaris op 9 augustus 2022 in gebreke gesteld, waarna meer dan twee weken zijn verstreken voordat hij beroep heeft ingesteld. Dit maakt het beroep kennelijk gegrond. Eiser verzoekt de rechtbank om de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen en om de staatssecretaris op te dragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken.

De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris een dwangsom verbeurt van € 100 per dag, met een maximum van € 7.500, voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 418,50. De rechtbank benadrukt dat de staatssecretaris binnen acht weken na de uitspraak een besluit moet nemen op de asielaanvraag van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.17444

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Eiser heeft op 20 november 2019 een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 1 april 2021 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 19 mei 2021, zaaknummer NL21.4952, is het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 februari 2022, zaaknummer 202103309/1/V2, is het daartegen door eiser ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, is de uitspraak van de rechtbank van 19 mei 2021 vernietigd, is het beroep alsnog gegrond verklaard en is het besluit van 1 april 2021 vernietigd. Dit brengt met zich mee dat er opnieuw op de asielaanvraag van eiser beslist moet worden.
3. Wanneer bij het vernietigen van een besluit geen termijn is gesteld voor het opnieuw beslissen op de aanvraag, geldt volgens vaste jurisprudentie dat het bestuursorgaan gehouden is om een nieuw besluit te nemen binnen de beslistermijn die gold voor het vernietigde besluit. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt deze beslistermijn zes maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden in het vierde en het vijfde lid om deze termijn te verlengen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 1 augustus 2022 een beslissing had moeten nemen.
4. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken zonder dat er een nieuwe beslissing op de asielaanvraag van eiser is genomen. Eiser heeft verweerder op 9 augustus 2022 rechtsgeldig in gebreke gesteld. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser beroep heeft ingesteld. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.
5. Eiser verzoekt de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen, om verweerder op te dragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken en om aan het niet naleven van de uitspraak een rechterlijke dwangsom te verbinden. Eiser stelt zich daarbij op het standpunt dat artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) in strijd is met zowel het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel als het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel. Een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 47 van het EU Handvest ontbreekt bij een overschrijding van de beslistermijn in de asielprocedure. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 [1] en naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 april 2022. [2]
6. Ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, kan de bestuursrechter het
bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.
7. Zoals de Afdeling heeft overwogen, [3] houdt de rechter er in asielzaken rekening mee dat verweerder aanvragen binnen een redelijke termijn moet hebben behandeld. Bij de bepaling van de nadere termijn is van belang dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. De rechter stelt dus geen nadere termijn waarvan op voorhand vaststaat dat het
bestuursorgaan niet zorgvuldig te werk kan gaan. Volgens de Afdeling is een termijn van
acht weken voor het houden van een eerste gehoor en een termijn van acht weken hierna
voor het bekend maken van een besluit op de aanvraag (het 8+8-weken model) passend.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser in het kader van het besluit van 1 april 2021 al is gehoord en dat niet is gebleken dat eiser in dit stadium van de procedure aanvullend moet worden gehoord of dat andere onderzoeksmiddelen moeten worden ingezet. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder thans binnen acht weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden een besluit aan eiser bekendmaakt.
9. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022 [4] volgt dat artikel 1 van de Tijdelijke wet zoals die luidt sinds 11 juli 2021, onverbindend is, voor zover daarin is bepaald dat de artikelen 8:55d, tweede lid, en 8:72, zesde lid, van de Awb niet van toepassing zijn op besluiten op asielaanvragen. Dit betekent dat de bestuursrechter óók in asielprocedures, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt dat de staatssecretaris binnen de door hem gestelde termijn alsnog een besluit neemt en aan zijn uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven.
10. De rechtbank zal gelet hierop bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor
elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven ter hoogte van € 100 per dag met een maximum van € 7.500.
11. De Afdeling heeft verder in diezelfde uitspraak over de bestuurlijke dwangsom geoordeeld dat artikel 1 van de Tijdelijke wet in zoverre niet in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel, omdat de mogelijkheid bestaat om bij de rechter te klagen over de schending van de verplichting om binnen een vastgestelde termijn te beslissen en dat diens uitspraak kan worden afgedwongen middels een rechterlijke dwangsom. De Afdeling heeft ook geoordeeld dat soortgelijke nationaalrechtelijke procedures zich niet voordoen en dat artikel 1 van de Tijdelijke wet in zoverre dus niet in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel. Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 april 2022, slaagt dan ook niet.
12. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
 draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op de asielaanvraag van eiser;
 bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 (
honderd euro) verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500 (
vijfenzeventighonderd euro);
 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ter hoogte van € 418,50 (
vierhonderdachttien euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.