ECLI:NL:RBDHA:2023:9948

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juli 2023
Publicatiedatum
10 juli 2023
Zaaknummer
NL22.19426
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArtikel 1 Tijdelijke wet opschorting dwangsommen INDArtikel 47 EU HandvestBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-tijdig beslissen asielaanvraag en proceskostenveroordeling

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 18 februari 2022. Inmiddels heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het besluit op 12 januari 2023 ingewilligd. Hierdoor is het beroep tegen het niet tijdig beslissen feitelijk overtollig geworden en verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

Eiser verzocht tevens om schadevergoeding ter hoogte van €1.442, gelijk aan de vermeende bestuursdwangsom die aan hem toegekend zou zijn indien de rechtbank eerder had beslist. De rechtbank oordeelt dat het niet vaststellen van verbeurde dwangsommen geen schade oplevert en wijst het verzoek af. Tevens wijst de rechtbank erop dat het betoog dat de Tijdelijke wet strijdig zou zijn met artikel 47 van Pro het EU Handvest niet wordt gevolgd, verwijzend naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak.

Omdat het beroep terecht is ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, veroordeelt de rechtbank de verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €418,50 volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank motiveert de lichte wegingsfactor vanwege de beperkte aard van het beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €418,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.19426

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 28 september 2022 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 18 februari 2022.
Bij besluit van 12 januari 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd.
Desgevraagd heeft eiser meegedeeld het beroep te handhaven.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat met de inwilliging van deze aanvraag aan het beroep is tegemoetgekomen zodat eiser gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
2. Eiser verzoekt om schadevergoeding ter hoogte van € 1.442. Eiser stelt hiertoe dat dit de hoogte van de (bestuurlijke) dwangsom is die aan hem zou zijn toegekend indien de rechtbank eerder uitspraak had gedaan. Dit is volgens eiser redelijk omdat artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet [2] strijdig is met artikel 47 van Pro het EU Handvest. [3]
3. Voor zover eiser stelt aanspraak te maken op een vergoeding wegens het niet tijdig beslissen, mist het beroep feitelijke grondslag. Het niet vaststellen van verbeurde dwangsommen betreft immers geen schade. [4] Voor zover eiser stelt dat artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet strijdig is met artikel 47 van Pro het EU Handvest, wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling [5] van 30 november 2022 waarin is geoordeeld dat dat niet het geval is. [6]
4. Omdat eiser vanwege het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag terecht beroep heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is omdat het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit niet-ontvankelijk;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Zie tevens
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.