ECLI:NL:RBDHA:2024:10003

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2024
Publicatiedatum
27 juni 2024
Zaaknummer
NL24.7097
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens inwilligend besluit asielaanvraag en proceskostenveroordeling

Eiser had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft echter op 2 mei 2024 alsnog een inwilligend besluit genomen. Eiser handhaafde zijn beroep en vorderde daarnaast vergoeding van proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het belang van eiser is komen te vervallen nu verweerder heeft beslist. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om inhoudelijk op het beroep in te gaan.

Ten aanzien van de proceskosten stelt de rechtbank vast dat verweerder niet heeft gereageerd op het verzoek tot vergoeding, wat wordt opgevat als geen bezwaar. De proceskosten worden vastgesteld op € 437,50, waarbij rekening is gehouden met de lichte aard van de zaak en het beperkte belang.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van deze proceskosten en verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 437,50 aan proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.7097
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp) en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag van eiser.
Op 2 mei 2024 heeft verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen op de aanvraag.
Eiser heeft zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen gehandhaafd en wil nu nog dat de rechtbank overgaat tot veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.¹
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Dat is wat eiser heeft gedaan. Inmiddels heeft verweerder wel een besluit genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat eiser wilde en de rechtbank hoeft dit dan ook niet meer aan verweerder op te dragen. Omdat eiser het beroep niet heeft ingetrokken, moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over het beroep.
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank zal geen uitspraak doen over de vraag of eiser gelijk had met zijn beroep. Dit is om de volgende reden. Eiser wilde met zijn beroep bereiken dat verweerder zou beslissen op zijn asielaanvraag. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, heeft het beroep van eiser geen zin meer. Eiser heeft daarom geen belang meer bij zijn oorspronkelijke beroep (geen procesbelang).
1. Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. Over de vergoeding van de proceskosten die eiser vraagt, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
5. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van eiser om een vergoeding van de proceskosten. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van eiser te vergoeden.
6. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser die verweerder moet betalen vast op
€ 437,50. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een beroep vanwege niet tijdig beslissen, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
t