Eiser diende op 26 oktober 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder had volgens de wet zes maanden om te beslissen, verlengd met negen maanden op grond van de WBV 2022/22. Na het verstrijken van deze termijn stelde eiser verweerder op 10 april 2024 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in wegens niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen verweerder alsnog een besluit moet nemen, rekening houdend met een reeds gehouden gehoor en de mogelijkheid voor eiser om zienswijzen te geven.
Daarnaast wordt verweerder een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van de beslistermijn, met een maximum van €7.500. Ook worden proceskosten van €437,50 aan eiser toegekend wegens het inschakelen van juridische hulp bij het indienen van het beroepschrift.
De uitspraak is gebaseerd op artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht, de Vreemdelingenwet 2000 en relevante jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hiermee wordt het recht op een tijdige beslissing op asielaanvragen gewaarborgd.