Eiser diende op 2 november 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft niet binnen de wettelijk gestelde termijn van zes maanden, verlengd met negen maanden, op deze aanvraag beslist. Nadat eiser verweerder op 31 maart 2024 in gebreke stelde, stelde hij beroep in wegens het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en legt een beslistermijn van acht weken op aan verweerder, rekening houdend met de noodzaak van zorgvuldige besluitvorming en het recht van eiser om zijn zienswijze te geven. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd, met een maximum van € 7.500,-, voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 437,50, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier A.C. Kampschuur en is op 28 juni 2024 in het openbaar bekendgemaakt.