ECLI:NL:RBDHA:2024:10180

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2024
Publicatiedatum
2 juli 2024
Zaaknummer
NL23.35439
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom

Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerder had de rechtbank een termijn van zes weken opgelegd waarbinnen een besluit moest worden genomen, maar verweerder is hier niet aan voldaan.

De rechtbank constateert dat eiser verweerder op 25 oktober 2023 schriftelijk in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien de wettelijke termijn van twee weken is verstreken zonder dat een besluit is genomen. Hierdoor is het beroep gegrond verklaard. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van acht weken op, waarbij rekening is gehouden met het belang van zorgvuldige besluitvorming en het lange tijdsverloop sinds de eerdere uitspraak.

Daarnaast wordt verweerder een dwangsom van € 200,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 437,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp.

De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier A.C. Kampschuur op 5 februari 2024, en is openbaar bekendgemaakt. Eiser kan tegen deze uitspraak binnen vier weken beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een beslistermijn van acht weken op en stelt een dwangsom in bij overschrijding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.35439
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend na de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 13 maart 2023.1 In die uitspraak staat dat verweerder binnen zes weken opnieuw moet beslissen op de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt nu beroep in, omdat verweerder dat niet heeft gedaan.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.2
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder na de uitspraak van de rechtbank tot op heden geen nieuw besluit heeft genomen op de aanvraag van eiser. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 25 oktober 2023 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken voorbij zijn gegaan. Het beroep is daarom gegrond.
1. Zaaknummer NL23.3758 (niet gepubliceerd).
2 Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Dit volgt uit artikel 6:2 en Pro 6:12 van de Awb.
Welke beslistermijn legt de rechtbank aan verweerder op?
4. De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.4 Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.5
5. De rechtbank ziet aanleiding om aan verweerder een langere beslistermijn dan twee weken op te leggen. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat er zowel recht wordt gedaan aan de belangen van eiser als het belang van zorgvuldige besluitvorming door verweerder. De rechtbank ziet zich daarom gesteld voor de vraag wat een niet onredelijke lange én een niet onrealistisch korte termijn is.
6. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank heeft in de eerdere uitspraak van 13 maart 2023 expliciet een termijn van zes weken opgelegd. Daarnaast heeft verweerder sinds de uitspraak van 26 april 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)6 al duidelijkheid over het al dan niet kunnen overdragen van Dublinclaimanten aan Italië. Gelet op het lange tijdsverloop sindsdien neemt de rechtbank mee dat verweerder al zeer lange tijd in gebreke is om een besluit te nemen op de aanvraag. Anderzijds overweegt de rechtbank dat ook eiser gebaat is bij zorgvuldige besluitvorming. Daarnaast moet verweerder nog verschillende handelingen verrichten om tot een besluit te kunnen komen in deze zaak. Dit alles meegewogen ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van het zogeheten ‘8+8- wekenmodel’7 en is zij van oordeel dat een termijn van acht weken passend is voor verweerder om een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser te nemen.

Legt de rechtbank verweerder een dwangsom op?

7. De rechtbank bepaalt in deze zaak met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, dat verweerder een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat verweerder binnen acht weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als verweerder dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld die voor hem een beroepschrift heeft ingediend. Voor de vaststelling van de wegingsfactor sluit deze zittingsplaats (weer) aan bij hetgeen andere zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag doen. Zij hanteert een wegingsfactor van 0,5, zoals vermeld in onderdeel C1 bij het Bpb. Voor zover het een beroep tegen het niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken betreft, verwijst deze zittingsplaats niet langer naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 september 2023.8 Toegekend wordt
4 Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
5 Op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb
€ 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag, waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Kampschuur, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 februari 2024

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.