ECLI:NL:RBDHA:2024:1021
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatregel van ophouding en terugkeerbesluit op grond van de Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft het beroep van een Braziliaanse vreemdeling tegen een maatregel van ophouding ex artikel 50, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 en een terugkeerbesluit ex artikel 62 Vreemdelingenwet Pro 2000. De maatregel van ophouding vond plaats omdat de identiteit van eiser niet onmiddellijk kon worden vastgesteld, ondanks dat deze gegevens in het strafrechtelijke traject waren onderzocht.
Eiser stelde dat de ophouding onjuist was en dat de staatssecretaris had moeten onderzoeken of hij verblijfsrecht in Portugal had, zodat een ander besluit had moeten worden genomen. De staatssecretaris betoogde dat de gegevens uit het strafrechtelijke traject niet automatisch in het vreemdelingenrechtelijk vervolg gelden en dat eiser ontkende verblijfsrecht in een ander EU-land te hebben.
De rechtbank oordeelt dat de ophouding op de juiste wettelijke grondslag is gebaseerd, mede gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2011. Daarnaast rustte geen plicht op de staatssecretaris om nader onderzoek te doen naar het verblijfsrecht in een ander EU-land. De beroepen worden ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De beroepen tegen de maatregel van ophouding en het terugkeerbesluit worden ongegrond verklaard.